Duinen omg Kreekpad.jpeg

Nieuws

    26-10-2021

Acht tegen zeven: modderen we zo door tot 2014?

Archief Nieuws

Komend voorjaar zit  de gemeenteraad van Westvoorne  op de helft  van de raadsperiode 2010 -  2014.  Men kan niet volhouden dat het politieke  klimaat voor Oostvoorne, Rockanje en Tinte tot nu toe  erg vruchtbaar is geweest. Kenmerkend  is dat er meer energie verloren is gegaan aan gekrakeel tussen coalitiepartijen en de oppositie dan dat dit college uitmunt in ambitieuze plannen, laat staan – zeker voor wat Rockanje betreft – concrete daadkracht. Er is eerder sprake van verharding in de relatie tussen coalitie en oppositie dan bereidheid naar een politieke grootste gemene deler te streven.
Met de nodige zorg vraag je je af  of dit nog tot 2014 zo  moet voortduren.  Schermutselingen rond de strandhuizen versterken die vraag alleen maar. College en coalitie zijn door het veto van Natuurmonumenten over de bouw van strandhuizen op het strand van Rockanje  geconfronteerd met een bestuurlijk debacle.
Tijd dus om de balans op te maken van twee jaar verlammend ‘acht tegen zeven’ beleid.

Uitgangspunt voor deze analyse is de uitslag van de gemeenteraadsverkiezing 2010:
Partij Westvoorne 5 zetels, VVD 3, Gemeentebelangen 2, CDA 2, PvdA 2 en D66 1.

Wie de gang van zaken gedurende de afgelopen twee jaar de revue laat passeren moet tot de conclusie komen dat het met het Westvoornse gemeentebestuur al sinds 3 maart 2010, sinds de avond van de verkiezingsuitslag,  mis is gegaan.  Eigenlijk tekende zich al vóór  de verkiezing een onverenigbaarheid van humeuren en karakters af. De entree van de Partij Westvoorne was een nieuw fenomeen waarmee de gevestigde partijen sinds 1979 (oprichting  Gemeentebelangen)  nooit  meer rekening hadden hoeven te houden.
Een nieuwe partij ontstaat niet zomaar vanzelf. Nieuwe partijen komen voort  uit onvrede over  in voorafgaande periodes gevoerd beleid. Per definitie roept een nieuwkomer  weerstand op bij zich aangesproken voelende partijen. Ze nemen verongelijkt een afwerende houding aan van  ‘Wie zijn zij dan wel dat ze denken het beter te kunnen’.
Als dan die nieuwe Partij Westvoorne een derde van het aantal stemmen behaalt en met vijf van de vijftien zetels de gemeenteraad binnenkomt, veroorzaakt dat een shock. Vijf zetels voor een debuterende partij (en dus vijf zetels verlies voor het zittende college)  betekent – zeker in een kleine gemeente -  een afstraffing van het in de voorgaande  periode gevoerde beleid. De  raadsverkiezing 2010 maakte klip en klaar duidelijk dat een flink deel van de burgers in Westvoorne een ander beleid wil.

Als partijen in een zittend college (PvdA, Gemeentebelangen en D66)  bijna de  helft van hun aanhang kwijt raken en dat verlies komt niet eens  terecht bij de toenmalige oppositiepartijen  (VVD en CDA verloren ook een aanzienlijk deel van hun aanhang) dan hoeft het vertalen van de verkiezingsuitslag naar de samenstelling van het nieuwe college van burgemeester en wethouders niet zo moeilijk te zijn. Een veel gebezigde  zegswijze na een verkiezing is immers ‘de kiezer heeft altijd gelijk’.
Dat levert  bij het opmaken van de  politieke winst- en verliesrekening objectief beschouwd  een drie partijen college op met de nieuwkomer Partij Westvoorne en de voormalige oppositiepartijen  VVD en CDA, samen goed voor een comfortabele meerderheid van tien tegen vijf.
Normaal gesproken is de verkiezingsuitslag ook richting gevend voor de kleur van het beoogde college. Voor  VVD, CDA, Gemeentebelangen en D66 bestaat democratie echter uit de optelsom 3 + 2 + 2 + 1 = 8,  wat een alle-kleuren-van-de-regenboog-college oplevert met net aan genoeg steun om te kunnen pretenderen dat het de meerderheid  – zijnde 57 procent  - van de kiezers vertegenwoordigt.
Een drogredenering: de nieuwe coalitie bestaat uit louter verliezers, de oppositie uit de grote winnaar en de grote verliezer. Bij Gemeentebelangen zegde bijna 40 procent van haar aanhang haar vertrouwen in die partij op, bij de VVD 25 procent, bij het CDA 30 procent en bij D66 15 procent. Hoe lang kun je dan nog volhouden dat dit college voldoet aan de vernieuwing  die  blijkens de verkiezingsuitslag gewenst is.   

Nu is het wel zo dat de collegevorming in het voorjaar van 2010 niet vlekkeloos is verlopen.  De Partij Westvoorne  met nul-komma-nul jaar aan politieke ervaring maakte in de euforie over de grote overwinning de beginnersfout bij de eerste onderhandelingssessie oneigenlijke eisen te stellen aan de keuze van wethouderskandidaten van andere  partijen. De meer geroutineerde onderhandelaars van VVD, CDA, GB en D66  maakten er maar al te graag direct misbruik van door met z’n achten hooghartig de regie van de collegevorming op te eisen. Het gevolg  - resultaat zou een misplaatste kwalificatie zijn - : vier wethouders (nog nooit vertoond in een gemeente met slechts 14.000 inwoners, )  ‘voor de prijs van drie’ (o ja?  de weggestemde, niettemin teruggekeerde wethouders ontvangen tegen de belofte aan de kiezers in (overigens wel volgens de regels) toch dezelfde wedde als voorheen.
Het college vertoont trouwens nog een  zeldzaam fenomeen: een partij met één zetel in de raad (D66), die niettemin een wethouder levert en daarmee een in de politiek hoogst ongebruikelijke machtspositie heeft. Sindsdien gaan we  gebukt onder een voortdurende animositeit tussen coalitie en oppositie met louter strijd in het politieke debat. Het ‘acht tegen zeven’ drukt zwaar op de onderlinge verhoudingen, waarbij coalitieleden bij herhaling hun macht etaleren en  de oppositie met dedain bejegenen.

Typerend  daarvoor is de wijze waarop de coalitie in de discussie over de strandhuizen de Partij Westvoorne heeft weggezet: gênant. Dat bij de collegeonderhandelingen 2010 het uit de verkiezingsuitslag blijkende signaal werd gebruuskeerd heb je als kiezer maar te slikken. Je mag  slechts om de vier jaar naar de stembus.  Dit stuk zou ook niet geschreven zijn,  ware het niet dat coalitiepartijen in het rumoer over de strandhuizen de grens van het betamelijke fors hebben overschreden. Het raadsdebat over het BING-rapport heb ik via de gemeentelijke website met toenemende plaatsvervangende schaamte gevolgd. Als geïnteresseerd inwoner van Rockanje kun je dan in feite je ergernis maar op één manier laten blijken: deze.

Wat zit me als partijneutraal toeschouwer hoog? De directe aanleiding tot dit stuk is deze uitspraak van de voorzitter van de VVD-fractie aan het adres van de Partij Westvoorne:  ‘hoe is er samen te werken met een partij die je niet kunt vertrouwen’ en in vervolg daarop nog erger:  ‘dat de VVD het achteraf wel goed door heeft gehad welk vlees zij tijdens de formatiebesprekingen in de kuip had’, met als dieptepunt zijn sommatie aan een collega-fractievoorzitter  haar raadszetel op te geven. 
Een partij die je niet kunt vertrouwen….  De Partij Westvoorne is dus onbetrouwbaar, vindt de VVD. Een in een raadzaal onoorbaar oordeel.  Het feit dat een nieuwe partij als de  Partij Westvoorne een andere bestuurscultuur nastreeft maakt haar toch niet onbetrouwbaar?  Zelfs zo onbetrouwbaar dat de VVD bij de eerste collegeonderhandeling  al wist wat voor vlees zij in de kuip had?  Welke afspraken/ overeenkomsten heeft de Partij Westvoorne in deze raadsperiode geschonden waaruit haar onbetrouwbaarheid blijkt? Als de VVD er niet in slaagt met de Partij Westvoorne samen te werken, betekent dat toch niet per definitie dat die partij niet te vertrouwen is?  Zelfs als iemand namens de Partij Westvoorne in de beleving van de VVD ten aanzien van een wethouder een ongepaste uitspraak doet,  is dat nog geen blijk van onbetrouwbaarheid. Hoog uit is sprake van (en in het vuur van de strijd nog te verdedigen ook)  ongelukkige uitspraak.

Bovendien had de liberale woordvoerder -  en in zijn kielzog de instemmend knikkende coalitiegenoten – waarschijnlijk zelf niet in de gaten hoe dom z’n uitspraak was.  Want al is het twee jaar na de raadsverkiezing: hij bevestigt dat er op grond van de verkiezingsuitslag inderdaad een college van andere samenstelling had moeten zitten en beroemt er zich nu op dat dit dankzij de liberale voorzienigheid is voorkomen. Eén/derde  van de burgerij van Westvoorne die op de Partij Westvoorne heeft gestemd,  zet hij daarmee  voor schut;  en dat is een fors hoger percentage dan waarop zijn VVD zich kan beroepen.
Feitelijk vallen de coalitiepartijen hier door de mand. Hoezo geen vertrouwen in de Partij Westvoorne?  Inhoudelijk moesten de onderhandelingen nog beginnen. Met een aansporing van de burgemeester, die zich twitterend  bovendien ook nog als mediator afficheert,  had het met een heel klein beetje goede wil best goed kunnen komen. Ergo: de liberale fractieleider en zijn coalitiegenoten bevestigen gewoon geen trek te hebben gehad om  met de Partij Westvoorne in zee te gaan en grotelijks lak te hebben aan de verkiezingsuitslag. Het is een blijk  van politieke minachting voor het signaal dat de kiezer in Westvoorne op 3 maart 2010 heeft afgegeven.    

De  coalitiepartijen stelden in die betreurenswaardige raadsvergadering op hoge toon de Partij Westvoorne aansprakelijk voor het aan het Bureau Integriteit Nederlandse Gemeenten opgedragen onderzoek - kosten rond 23.000 euro -  naar mogelijke belangenverstrengeling door wethouder Ies Klok. Volgens de coalitiepartners een volstrekt onnodig onderzoek, weggegooid geld. Ze eisten  op hoge toon van de fractieleden van de Partij Westvoorne  hoofdelijk afstand te nemen van de uitlating van hun fractievoorzitter. De fractievoorzitter van de Partij Westvoorne werd zelfs gemaand haar raadslidmaatschap op te  geven. Omdat zij het aanzien van de Westvoornse dorpspolitiek zou hebben beschadigd.
Een voor deze coalitie kenmerkende opvatting, want mijn vraag is wie de dorpspolitiek meer in diskrediet brengt:  de verkiezingsuitslag negerende coalitiepartijen VVD, CDA, GB en D66 met hun ‘acht tegen zeven’ dictaat, of de debuterende Partij Westvoorne die als grootste partij noodgedwongen in de oppositie zo goed mogelijk haar werk doet?

In zo’n permanent opgefokte  sfeer leidt dat er toe dat in brandende kwesties, zoals rond de strandhuizen,  de coalitie zichzelf  overschreeuwt. Al of niet bewust leidt zij de aandacht af  van waar het in feite over moet gaan. Niet of er een bevriende wethouder zich gekrenkt voelt. Wel of die strandhuizen er – ondanks grote weerstand onder de burgerij - moeten komen of niet.
De  VVD  windt zich er over op dat de factievoorzitter van de Partij Westvoorne  wethouder Klok zou hebben beticht van belangenverstrengeling of de schijn daarvan. Belangenverstrengeling  is in de politiek inderdaad een beladen woord. Maar bij de beoordeling van zo’n  uitspraak van een mederaadslid dienen VVD, CDA, GB en D66 zich er wel rekenschap van te geven in welke context een dergelijke veronderstelling is kunnen ontstaan. Maar zelfingenomen als zij zijn komen zij daar niet aan toe.
Toch zijn in de eerste plaats de burgemeester en de wethouder zelf verantwoordelijk voor het rumoer dat is ontstaan.  Tijdens de informatieavond over de strandhuizen in de Welkomkerk ( 9 juni 2011) hadden zij, zich onzeker uitend,  geen antwoord op ter zake doende vragen over de betekenis van de  op het strand betrekking hebbende servituten.  Burgemeester en wethouder toonden zich verrast en deden zelfs,  bij gebrek aan parate kennis,  voorkomen van niets te weten.  Dat is voor een intens meelevend publiek,  in een van gemeentelijke zijde ongetwijfeld goed voorbereide vergadering,  ongeloofwaardig. Is het dan vreemd dat twijfel ontstaat en in het publieke circuit de vraag  opborrelt of er soms meer aan de hand is?
Het is aan een gewoon burger in deze gemeente niet uit te leggen dat de nauwst bij de strandhuizen betrokken bestuurders  – de burgemeester als voorzitter  van het college en de wethouder als eerste verantwoordelijke   - geen weet blijken te hebben van zo’n voor het project cruciaal document. En al helemaal niet afgezet tegen de wijze waarop de wethouder bezig  is - elke invloed van buiten af eliminerend - de strandhuizen er in de beleving van de publieke opinie ‘door te drukken’. Dan dienen zij toch ook kennis te hebben van eventuele juridische belemmeringen? Nog niet zo heel lang geleden hebben in een andere kwestie vergelijkbare servituten een rol gespeeld. En niemand in het raadhuis heeft zich dat herinnerd?  Kom nou….

Daarbij speelt bovendien een rol dat men zich huiselijke kring afvraagt of de levenspartner van de wethouder er aan de keukentafel nooit over heeft verteld dat haar opa bij de verkoop van dit stuk strand aan de gemeente in een servituut heeft laten vastleggen wat er op het strand al dan niet is toegestaan. In een politieke discussie doet die bijkomstigheid inderdaad niet ter zake,  maar het is wel een gegeven dat in de dorppolitiek op huiskamerniveau bij de meningsvorming meespeelt. Maar als je niet in Rockanje woont (6 van de 8 leden van de coalitie wonen in Oostvoorne en Tinte) dringt daar blijkbaar niets van door.
Nota bene wethouder Klok zelf  verklaart  in het BING-rapport  dat hij achteraf gezien om alle schijn te vermijden  de voorbereiding van de besluitvorming over de strandhuizen misschien beter aan een collega-wethouder had kunnen  overlaten.  Met andere woorden: de wethouder onderkent  nu zelf ook dat de schijn van belangenverstrengeling op de loer lag.
VVD, CDA, GB en D66 moeten er dan niet vreemd van opkijken dat een partij die buiten het college wordt gehouden en deswege al een grote informatieachterstand  heeft,  op grond van ontoereikende  en verwarrende informatie,  vraagtekens zet bij zoveel onduidelijkheid en mede – ook desgevraagd in de pers - reageert op wat er in de volksmond algemeen rond zingt.
Als de burgemeester en de wethouder op de in de Welkomkerk gestelde vragen over de servituten  inhoudelijk een adequaat antwoord hadden kunnen geven zou er voor de Partij Westvoorne geen enkele reden zijn geweest er dieper op in te gaan. Sterker: wantrouwen  ten opzichte van de wethouder zou in de kiem zijn gesmoord als het college zelf in staat was geweest per omgaande helderheid te verschaffen. Er bleek echter een BING-rapport nodig te zijn om die helderheid te kunnen verkrijgen.  College en coalitie zijn daarom in hoge mate zelf debet aan en verantwoordelijk voor het rumoer dat rondom het optreden van de wethouder is gaan ontstaan.

Acht tegen zeven: wethouder heeft niets te duchten

Dat betekent dat de kostenpost van 23.000 euro voor het BING-onderzoek  allerminst  ‘nodeloos door de oppositie over de balk gesmeten belastinggeld’ was, zoals de VVD tamboereert. Integendeel.  Het BING-onderzoek blijkt zelfs hoogst noodzakelijk te zijn geweest  om te repareren wat  het college zelf had nagelaten te doen: uitzoeken of er servituten op het strand lagen en zo ja wat dat voor het strandhuisproject betekent. 
Het is uitgesproken hypocriet dat college en coalitie tot nu toe hardnekkig zwijgen over die   tweede constatering in  het BING-rapport. Dat er ten aanzien van wethouder Klok op geen enkele wijze van belangenverstrengeling sprake was, is inderdaad een belangrijke en geruststellende conclusie. Niet anders verwacht. Maar het is juist de motivering van deze vrijpleitende uitspraak die college en coalitie alle zelfingenomenheid ontneemt en in grote verlegenheid brengt.
Volgens het BING heeft de wethouder  wel aannemelijk gemaakt niet inhoudelijk van de servituten  op het strand tussen de Eerste en Tweede Slag op de hoogte te zijn geweest. En als je van niets weet kun je ook geen belangen verstrengelen. Zo simpel kan het zijn.
Maar het rapport van het Bureau Integriteit Nederlandse Gemeenten gaat een stap verder en komt tot een conclusie die voor de beoordeling van het handelen van het college veel belangrijker is. Het  BING stelt dat het college – dus de verantwoordelijke wethouder in de eerste plaats - wel van het bestaan van de servituten  op de hoogte had moeten zijn.

Het BING: ‘Als in Rockanje alom bekend is dat er op het strand en het duingebied servituten gevestigd zijn en als die in het verleden al vaker onderwerp van casuïstiek zijn geweest, dan had het als onderdeel van een zorgvuldige voorbereiding van de besluitvorming wel voor de hand gelegen dat het gemeentebestuur van het bestaan wel op de hoogte was geweest’.  Ik onderstreep:  ‘…..dan had het als onderdeel van een zorgvuldige voorbereiding van de besluitvorming wel voor de hand gelegen dat het gemeentebestuur wel van het bestaan wel op de hoogte was geweest’.
Deze  kritische toonzetting geeft aan  deze constatering  duidelijk het karakter  van een verwijt. Burgemeester en wethouders wisten weliswaar van niets, maar het had voor de hand gelegen dat ze wel op de hoogte zouden zijn geweest. Van de start af aan heeft het dus aan kennis van servituut en betekenis ontbroken. Daardoor heeft het servituut  in  de oordeelsvorming over de strandhuizen geen rol kunnen spelen. Daarmee is de gemeenteraad  cruciale informatie onthouden. Ergo: als aan de voorbereiding van een zorgvuldige besluitvorming een doorslaggevend  gegeven ontbreekt is er sprake van onzorgvuldige besluitvorming.

Terugredenerend: Informatie over het servituut had volgens het BING al beschikbaar moeten (en kunnen) zijn bij de interpretatie van de in de toekomstvisie Natuur Actief gedane suggestie strandhuizen te ontwikkelen om de recreatieve functie van Rockanje op te krikken. Die informatie ontbrak ook toen de wijziging van het bestemmingsplan Zeegebied aan de orde was waarin een locatie voor de strandhuisjes werd geregeld.
Met andere woorden: toen al had er in het raadhuis  een bel moeten gaan rinkelen of  het idee  om tussen de Eerste en Tweede Slag strandhuizen toe te staan – gegeven de servituten  – wel realistisch was. Het servituut in acht nemend zijn de in de toekomstvisie geopperde strandhuizen luchtkastelen.
Conclusie:  college en coalitie hebben wel voortvarend aan het accommoderen van de strandhuizen gewerkt, maar hebben totaal geen rekening gehouden met dat op dat deel van het strand rustende  servituut.  Maar ‘als onderdeel van een zorgvuldige voorbereiding van de besluitvorming’ hadden ze wel van het bestaan van het servituut kunnen en moeten weten. Dan zou ook bekend zijn geweest dat door het servituut beren op de weg opdoemden die het hele idee van de strandhuizen tot een idee-fixe zou kunnen maken.

Bij de opdracht aan het BING heeft het college niet expliciet om deze ‘bijvangst’ van het  integriteitonderzoek gevraagd en dus hoef  je er dan, denkt de coalitie blijkbaar, ook niet op te reageren. Echter: door zich zo in niet mis te verstane bewoordingen te uiten heeft de rapporteur van het   BING blijkbaar wel degelijk de bedoeling gehad deze tekortkoming in zijn rapport op te nemen. In feite zegt hij:  de wethouder wist weliswaar van niets, maar hij had het wel moéten weten.
Het blijft daarom vreemd en ongeloofwaardig dat niemand in het raadhuis, hoewel servituten bij herhaling  in de besluitvorming over andere zaken  een rol hebben gespeeld,  aan het bestaan van mogelijke servituten op dit deel van het strand heeft gedacht. De ambtenaren niet, de wethouders niet en de burgemeester niet.
Of   niemand  heeft er - de kop in het zand stekend – aan willen denken: zolang  niemand  over een servituut op het strand begint  weten we van niets en gaan we gewoon onze gang…..
Dat vermoeden vindt steun in het antwoord op de zienswijzen die bij de behandeling van het bestemmingsplan Zeegebied ( eind 2010/begin2011) zijn ingediend. Het college  stelt ‘dat het al dan niet voorkomen van bepaalde erfdienstbaarheden niet per definitie de plaatsing van strandhuisjes onmogelijk maakt. Indien van toepassing is het immers bijvoorbeeld ook mogelijk erfdienstbaarheden af te kopen of een andere regeling te treffen’.
Afkopen bij wie? Een regeling treffen met wie? Is het gek dat gezien de relatie wethouder / Van Hoey Smith  dan het woord ‘belangenverstrengeling’ valt?
Ook in die reactie op de zienswijzen staat: ‘Voordat toepassing wordt gegeven aan de wijzigingsbevoegdheid zullen eventuele erfdienstbaarheden worden onderzocht. Er is immers ook nog geen concreet bouwplan dat getoetst kan worden’.
Met andere woorden: het college was wel degelijk eerder dan in het BING-rapport wordt gesuggereerd van het fenomeen servituut op de hoogte, maar deed er niets mee. Het had het niet nodig gevonden te laten onderzoeken of het strandhuisplan úberhaupt binnen de doelstelling van de servituten  zou passen. Puur de houding van ‘dat zien we later wel…. ‘.  Daardoor krijgt deze handelwijze het karakter van ‘we zetten straks iedereen met een concreet plan voor het blok en dan moeten ze van goede huize komen om het nog te kunnen tegenhouden’.

Nogmaals herhaald: voor de oordeelsvorming over de strandhuizen is kennis van de servituten  en de daarin (‘voor  de eeuwigheid’) vastgelegde conserverende voorwaarden onontbeerlijk.  Het feit dat het Bureau Integriteit Nederlandse Gemeenten zijn verwijt  ‘dat het college ten behoeve van een zorgvuldige voorbereiding van de besluitvorming op de hoogte van de servituten  had moeten zijn’  ongevraagd in het integriteitonderzoek heeft betrokken duidt er op dat het  BING dat het college aanrekent.
Het is ook te beredeneren dat een gemeentebestuur eerst volwaardige plannen voor het strand laat uitwerken en dan pas onderzoekt of de realisering daarvan mogelijk is. Onderzoeken of er belemmeringen op het strand liggen doe je aan het begin van het besluitvormingstraject en  niet achteraf.  En dan is het wel heel kinderachtig dat de wethouder  nu Natuurmonumenten  verwijt dat zij wel eerder een waarschuwende vinger had kunnen opsteken. Als je wat op het strand wilt is het aan de wethouder met Natuurmonumenten over de (on)mogelijkheden in overleg te treden en niet andersom aan Natuurmonumenten om bij de wethouder te informeren waarmee hij bezig is. Er is maar één bestuurder direct verantwoordelijk voor deze voor de gemeente fatale afloop: de wethouder zelf.
Wel kennis hebbend van servituut en inhoud had het college (lees het afwijzende oordeel van Natuurmonumenten als toezichthouder op de naleving van de servituten  er op na)  er nooit aan moeten beginnen op de in Natuur Actief gedane suggestie in te gaan.       

De betekenis van het  BING -rapport is dat ondubbelzinnig en voor geen andere uitleg vatbaar  wordt vastgesteld dat de gemeenteraad van stonde af aan  onvoldoende en onvolledig, dus verkeerd,  is voorgelicht. Of dat door onwetendheid  is gebeurd  speelt in de politieke beoordeling  geen rol. Het college van BenW is in zorgvuldigheid ten aanzien van een cruciaal onderdeel van de besluitvorming tekort geschoten met alle – ook financiële – gevolgen van dien.    
Het onvolledig informeren van de raad – zeker over  servituten met zo’n verstrekkende betekenis - is een politieke doodzonde. Daar volgt onder  normale politieke omstandigheden in een gemeenteraad een motie van afkeuring op;  met minimaal het vertrek van de betrokken wethouder. Nu ben ik niet zo naïef me te verbeelden dat de coalitie wethouder Klok met een motie van afkeuring confronteert. En de Partij Westvoorne en de PvdA hoeven er als  oppositie,  gegeven krachtsverhouding,  al helemaal niet mee te komen. Het staat toch acht tegen zeven.
Maar dit is wel een verontrustend feit. De coalitie in de gemeenteraad van Westvoorne  geeft  blijk van erosie van de politieke maatstaven zonder welke  een democratisch gevormd bestuur niet naar behoren kan functioneren. Binnen het rigide ‘acht tegen zeven’ beleid ontbreekt politiek zelfreinigend vermogen. Welke blunder er binnen de coalitie ook wordt begaan: voor een politieke afrekening hoeft niet te worden gevreesd.
Als dat elders gebeurt noemen we dat dictatuur.

In de eerste plaats zou de fractieleider van de VVD zich dat moeten aantrekken. Als je zoveel ophef maakt over een achteraf hoogst noodzakelijk gebleken besteding van 23.000 euro belastinggeld aan het BING-rapport,  hoe zwaar weegt het dan als je een veelvoud ( de kosten van tijdrovende ambtelijke voorbereiding, vergaderingen, zaalhuur, discussieleider, vergeefse investeringen door plannen indienende ondernemers) hebt verspild aan een plan waaraan je met kennis van de servituten   nooit had moeten beginnen. Hoe zo de fractievoorzitter van een oppositiepartij sommeren haar raadszetel ter beschikking te stellen en de andere kant uit te kijken als de wethouder van je eigen coalitie blundert?  
In de tweede plaats zal D66 zich moeten afvragen of  haar  hoog beleden principes over politieke verantwoordelijkheid en daaruit voortvloeiende consequenties nog te rijmen zijn met het in stand te houden van deze  coalitie. Hoe geloofwaardig wil je blijven?
Dit bestuursdrama zal dus wel geen politieke gevolgen krijgen. Daarvoor staat er door het gebakkelei in de afgelopen maanden te veel prestige op het spel, vrees ik.

Intussen vraag je je af  of  er in de achterbannen van VVD, CDA, GB en D66 zo langzamerhand,  met de ervaringen in de afgelopen maanden,  toch niet het  inzicht rijpt een einde te maken aan de ongelukkige situatie waarin we  in Westvoorne sinds de collegevorming in 2010 bestuurlijk zijn beland.
Of modderen we maar door tot na de raadsverkiezing in 2014?

Rockanje, januari  2012.

Koos de Gast
degast.rockanje@upcmail.nl

Pagina terug