Duinen omg Kreekpad.jpeg

Nieuws

    26-10-2021

Nabeschouwing 'afronding' strandhuisjes dossier door de fractie van de PW

Archief Nieuws

Strandhuizen of geen strandhuizen?
Uit het op 3 januari verschenen persbericht van de gemeente Westvoorne valt op te maken dat het strandhuisjes project van de baan is, want daarin staat het volgende: ‘Vandaag heeft het college van B&W besloten te stoppen met de ontwikkeling voor de bouw van strandhuisjes op het badstrand van Rockanje’.
Tijdens de raadsvergadering van 10 januari bleek het allemaal toch anders te liggen.
Toen wij, in lijn met hetgeen in het persbericht gesteld werd, het college middels een motie, verzochten geen gebruik te maken van hun wijzigingsbevoegdheid ten behoeve van het oprichten van de strandhuisjes (opgenomen in het Bestemmingsplan zeegebied Westvoorne) en die wijzigingsbevoegdheid bij een eventuele herziening van het bestemmingsplan of bij het opstellen een nieuw bestemmingsplan te schrappen, bleek het project namelijk niet definitief van de baan. Het college, bij monde van wethouder Klok, gaf aan dat de deur van het project op een kier bleef staan. Natuurmonumenten had, als ‘bewaker’ van de servituten die op de ontwikkelingslocatie van de huisjes liggen, weliswaar laten weten dat de bouw van de huisjes in strijd is met de servituten, maar er moest, volgens Klok, toch nog maar eens over gesproken worden met het landelijk bestuur van Natuurmonumenten. Klok ontraadde daarom de motie, want hij was niet van plan ‘alle schepen achter zich te verbranden’. De coalitiepartijen (VVD, CDA, GBW en D66) waren het met hem eens. Het zou, volgens hen zonde zijn het project nu zomaar, op basis van die servituten, te stoppen. Eerst maar eens dat gesprek aangaan was hun devies.

Natuurmonumenten
Natuurmonumenten kreeg tijdens de raadsvergadering van Klok en de coalitiepartijen opnieuw de zwartepiet toegespeeld. Het was, volgens hen, niet de schuld van het college, maar van Natuurmonumenten dat het bestaan van de servituten niet eerder tijdens het ontwikkelingsproces naar voren gebracht was. Dit in tegenstelling tot het oordeel van onderzoekscommissie van BING, die stelden dat het college het mogelijk bestaan van de servituten had moeten onderzoeken.
Wij vinden het standpunt van Natuurmonumenten, dat niet zij maar het college het onderzoek naar de servituten had moeten doen, wel te rechtvaardigen. Zo’n onderzoek is namelijk heel duur. Er moet bij het kadaster onderzocht worden op welke kadastrale perceelnummers servituten van toepassing zijn. Daar moet per kadasternummer voor betaald worden en vaak gaat het bij een ontwikkelingslocatie om meerdere nummers. Wij hebben in het kader van de servituten zo’n onderzoek laten doen en dat kostte ons in totaal € 778,60. Daarbij hadden wij het geluk dat de ontwikkelingslocatie maar één kadasternummer heeft.
Een bijkomend probleem bij ieder onderzoek naar kadastrale gegevens is dat kadasternummers regelmatig gewijzigd worden. Zo liggen er onder het huidige kadasternummer van de strandhuisjeslocatie maar liefst 33 oudere, zogenaamde ‘historische kadastrale percelen’. Dat geldt ongetwijfeld voor nog veel meer servituutterreinen in Nederland die door Natuurmonumenten beheerd worden. Daarom zal er bij een eventueel ontwikkelingsproject altijd een nieuw kadastraal onderzoek gedaan moeten worden. Eigenaren van de betreffende percelen (in dit geval de gemeente) worden op de hoogte gesteld van de nieuwe nummers, maar dat geldt niet voor de ‘bewakers’ van de servituten (in dit geval Natuurmonumenten). Logisch dat Natuurmonumenten zo’n onderzoek uitstelt totdat zeker is dat (en op welke locatie) er gebouwd gaat worden. Onderzoeksgeld uitgeven aan mogelijke bouwprojecten kunnen zij immers moeilijk rechtvaardigen. Overigens had Natuurmonumenten aan de gemeente al voorafgaand aan het BING onderzoek laten weten pas een oordeel te zullen geven nadat de resultaten van het onderzoek van BING naar de servituten bekend zouden zijn en nadat de gemeente zekerheid zou geven over de voortgang van het project.
Wat Natuurmonumenten wel had kunnen doen, toen zij uit de krant (!) vernamen dat er sprake was van het strandhuisjes project, is de gemeente wijzen op het mogelijk bestaan van servituten. Wij kunnen ons daarnaast voorstellen dat Natuurmonumenten op grond van hun natuurbeschermende taak sowieso bezwaar tegen het project had kunnen aantekenen. Dat had, aan het begin van het proces, wel meer duidelijkheid over hun standpunt gegeven.
Desalniettemin kan niemand van Natuurmonumenten verwachten dat zij de fouten van dit college voorkomen en daarvoor dan ook nog eens hoge kosten moeten maken die zij niet kunnen rechtvaardigen.

Onvolledige en onjuiste informatie
De raad is van het begin af aan onvolledig en op verschillende momenten zelfs onjuist voorgelicht door het college. In het rapport van BING wordt ingegaan op deze onjuiste en onvolledige informatie. Zo stelt de onderzoekscommissie van BING dat de informatie die in het persbericht van 17 juni op onderdelen onjuist is. Daarnaast stellen zij dat de door de gemeente genoemde koopakte van 1956 niet/nauwelijks betrekking heeft op de ontwikkelingslocatie maar dat het om de koopakte uit 1954 gaat. Er wordt tevens gesteld dat het naar de mening van de onderzoekscommissie ‘als onderdeel van een zorgvuldige voorbereiding van de besluitvorming, voor de hand had gelegen aandacht te schenken aan het mogelijk bestaan van servituten’. Maar, zo stellen zij verder, ‘gebleken is dat het onderwerp servituten niet eerder ter sprake gekomen is in de planvorming van de gemeente’ dan tijdens de informatieavond.   
Het college heeft inderdaad bij hoog en laag volgehouden dat de servituten niet eerder ter sprake geweest zijn dan op die bewuste voorlichtingsavond over het strandhuisjes project van 9 juni 2011. Dat is niet alleen aan de raad gezegd, maar ook aan de onderzoekscommissie van BING. Gebleken is echter dat dit niet waar is.
Anders dan steeds door het college beweerd wordt en anders dan aan BING gemeld werd, was het college namelijk reeds in februari 2011 op de hoogte van bestaan van de servituten. Dat blijkt onder meer uit de Nota van beantwoording op de Zienswijzen op het Bestemmingsplan Zeegebied Westvoorne. Door indiener 5 werd namelijk reeds in februari 2011 verwezen naar de geldende erfdienstbaarheden (servituten) op de ontwikkelingslocatie van de strandhuisjes, zoals blijkt uit de volgende passage (punt d) uit de nota van zienswijzen:
‘Op het genomen wijzigingsgebied ligt een erfdienstbaarheid, welke volgens de indiener de bouw van strandhuisjes uitsluit. Volgens de erfdienstbaarheid mogen op de gronden geen opstallen of getimmerten worden opgericht, met uitzondering van kleine niet storende gebouwtjes. Indiener stelt dat, gezien het beoogde aantal op te richten strandhuisjes, de wijzigingsbevoegdheid niet voldoet aan deze dienstbaarheid’.

De beantwoording van het college luidt als volgt:
‘Het al dan niet voorkomen van bepaalde erfdienstbaarheden maakt niet per definitie de plaatsing van strandhuisjes onmogelijk. Indien van toepassing is het immers bijvoorbeeld ook mogelijk om erfdienstbaarheden af te kopen of een andersoortige regeling te treffen. Overigens is er slechts sprake van de opname van een wijzigingsbevoegdheid strandhuisjes. Voordat toepassing wordt gegeven aan de wijzigingsbevoegdheid zullen eventuele erfdienstbaarheden worden onderzocht. Er is nu immers ook nog geen concreet bouwplan welke getoetst kan worden. Uiteraard wordt dit aspect te zijner tijd bij de besluitvorming over de toepassing van de wijzigingsbevoegdheid meegewogen’.

Uit deze beantwoording blijkt dat er dus weldegelijk, voorafgaand aan de informatieavond van 9 juni, over het mogelijk bestaan van de servituten is gesproken.

In het BING rapport staat daarover echter het volgende:
- Bij de totstandkoming van deze plannen (Bestemmingsplan zeegebied en criteria strandhuisjes) is er volgens betrokkenen (de betrokken portefeuillehouder) niet gesproken over het mogelijk bestaan van servituten/erfdienstbaarheden op het gedeelte van het badstrand waar de strandhuisjes gepland staan.
- Een bij het project betrokken ambtenaar verklaart desgevraagd dat er in het ambtelijke voortraject geen onderzoek heeft plaats gevonden naar servituten. Hij zegt daarover:
“Ik wist weliswaar van het bestaan van servituten in de omgeving, maar in mijn optiek hadden die enkel betrekking op het duingebied. Van servituten op het badstrand was mij niets bekend. Wij hebben hier ambtelijk destijds, bij de uitwerking van de plannen, ook nooit over gesproken en ook geen onderzoek naar gedaan.”

Tevens verklaart hij desgevraagd:
“Tijdens overleggen over de plannen met de betrokken wethouders, waaronder
[naam betrokken portefeuillehouder], heeft niemand stilgestaan bij het mogelijke bestaan van servituten op het badstrand. Het is geen enkele keer ter sprake gekomen.”
De ambtenaar verklaart dat een onderzoek naar mogelijke servituten later in het traject mogelijk wel zou hebben plaatsgevonden.
- De betrokken portefeuillehouder verklaart dat hij werd verrast door de vraag (over het mogelijk bestaan van de servituten op de informatieavond):
“Ik was weliswaar op de hoogte  van servituten in het duingebied, maar ik was in de veronderstelling dat er geen servituten op het badstrand zouden liggen. Ik was dan ook verrast door de vraag en ik heb toen aangegeven er later op terug te komen, omdat ik op dat moment de kennis nog niet had.”

- De burgemeester verklaart dat hij pas op de informatieavond voor het eerst kennis nam van de suggestie dat er servituten zouden liggen op het badstrand van Rockanje.
- Uit het onderzoek volgt dat tot aan de informatieavond op 9 juni 2011 binnen de gemeente geen aandacht is geschonken aan het mogelijk bestaan van servituten/erfdienstbaarheden op de percelen waar de strandhuisjes gepland staan. Naar onze mening had dat – als onderdeel van een zorgvuldige voorbereiding van de besluitvorming - wel voor de hand gelegen. Dit met name gezien het feit dat het, blijkens de interviews, in de gemeente ‘alom’ bekend is dat er op een groot aantal percelen (met name duingebied) in de gemeente Westvoorne servituten/erfdienstbaarheden zijn gevestigd en dat in het verleden binnen de gemeente al vaker soortgelijke casuïstiek onderwerp van gesprek is geweest (Olaertsduyn, Pinguïnterrein).
- Op de informatieavond is het onderwerp servituten/erfdienstbaarheden in relatie tot de strandhuisjes voor het eerst ter sprake gekomen en zijn hierover vragen gesteld aan de betrokken portefeuillehouder.
- Gebleken is dat het onderwerp servituten/erfdienstbaarheden nog niet eerder ter sprake was gekomen in de planvorming van de gemeente.
(zie BING Onderzoek belangenverstrengeling, 6.6 Overige bevindingen en 7.2. Tweede onderzoeksvraag)

De Confrontatie
Wij hebben tijdens de raadsvergadering van 10 januari het college geconfronteerd met de discrepantie tussen hetgeen in de beantwoording van de zienswijze van indiener 5 gesteld wordt en hetgeen aan de onderzoekscommissie van BING medegedeeld is over het moment waarop de servituten ter sprake gekomen zijn.
Onze betreffende vraag luidde:
‘Waarom is er tegen onderzoekers van BING gezegd dat het bestaan van de servituten niet eerder ter sprake geweest is dan op de informatieavond op 9 juni 2011 terwijl uit de beantwoording van de Nota Zienswijzen blijkt dat er al in februari 2011 over gesproken is (en wel formeel in de vorm van een beantwoording van een zienswijze)?’

Gedurende het daarop volgende debat werd, na veel heen en weer gepraat, door het college, bij monde van de burgemeester, gesteld dat het allemaal op een interpretatieverschil neer kwam van de zin ‘er is niet eerder over de servituten gesproken / ze zijn niet eerder ter sprake geweest’. Volgen de Partij Westvoorne zou dat betekenen dat er ‘niet eerder over de servituten gesproken is’ en volgens het college zou dat betekenen ‘dat er niet eerder onderzoek naar het daadwerkelijke bestaan van de servituten gedaan zou zijn’. Nu zijn wij zeker niet star wanneer het om het interpreteren van teksten gaat. Maar wanneer de betekenis van de in de tekst voorkomende woorden daarbij niet geëerbiedigd wordt, zoals nu gebeurt, wordt het een zootje in plaats van een interpretatie.

Mocht u het debat willen beluisteren dan kan dat via ‘raad in beeld’ op de website van de gemeente Westvoorne (raad 10 januari 2012, agendapunt 19).

U vraag zich wellicht af waarom wij zo zwaar tillen aan de door het college, in onze ogen, onjuist verstrekte informatie aan BING.
In de eerste plaats omdat het de zoveelste keer was dat er onjuiste informatie over het strandhuisjes dossier verstrekt werd. De burgemeester heeft, na het uitkomen van het BING rapport, daarvoor terecht zijn verontschuldigingen aangeboden. Een goed functionerende gemeente raad had desalniettemin deze stroom van foutieve informatie moeten adresseren. Het is immers bij wet zo geregeld dat het college juiste en volledige informatie aan de raad moet verschaffen. Raadsleden moeten zich namelijk op grond van die informatie een mening vormen, want zij zijn in hun werk afhankelijk van de informatie die het college ze verstrekt. Vandaar dat de wet daar zo stellig over is en vandaar dat er ministers en wethouders in de problemen komen als zij onjuiste informatie verstrekken.
Niet voor niets besloot de raad tot een onafhankelijk onderzoek om, zoals de burgemeester stelde, ‘de vragen die leven rondom de servituten helder te krijgen’. Helaas is gebleken dat de geïnterviewde leden van het college die helderheid niet nagestreefd hebben. Misschien hadden we voor een raadsenquête moeten kiezen, waarbij ambtenaren en bestuurders onder ede gehoord kunnen worden.

Het is droevig dat te moeten constateren.

Namens de fractie van de Partij Westvoorne
Emma van Blom

Zie voor meer informatie over de raadsvergadering van 10 januari 2012, zoals ons betoog en onze moties over de strandhuisjes, de andere betreffende artikelen op deze website onder 'Nieuws'.

Pagina terug